Zeeuws Volkslied

Het Zeeuws Volkslied is in 1919 ontstaan als reactie op Belgische annexatieplannen die al tijdens de Eerste Wereldoorlog opkwamen.

Veel Belgen vonden dat Nederland zich door zijn neutraliteit tijdens de oorlog pro-Duits had gedragen. De Belgische regering wilde als compensatie voor de enorme schade en ellende die land en volk ondervonden twee Nederlandse gebieden annexeren: Zuid-Limburg vanwege de steenkool en Zeeuws-Vlaanderen vanwege de toegang tot Antwerpen.

In Zeeuws-Vlaanderen werd hier sterk tegen geageerd door ds. J.N. Patist, die vond dat het gebied van Hulst tot Cadzand 'eigen landje, maar deel van Nederland' moest blijven. Hij schreef samen met J. Vreeken in 1917 de tekst en muziek voor een protest-lied dat het Zeeuws-Vlaamse Volkslied is gaan heten.

In 1919 kwam het Belgische annexatie-streven nog sterker naar voren. Een grote groep in heel Zeeland voelde toen de behoefte de verbondenheid met Nederland en Oranje te benadrukken. De hoofdonderwijzer uit 's-Gravenpolder, D.A. Poldermans, schreef hierop de woorden van een volkslied waar de Middelburgse dirigent J. Morks de muziek bij schreef. Het Zeeuws Volkslied droegen zij op aan de Commissaris der Koningin, mr. H.J. Dijckmeester.

Het lied bleek een blijver: bij vele gelegenheden, onder meer tijdens de nieuwjaarsrecepties van het Provinciaal Bestuur, wordt het door de aanwezigen met verve ten gehore gebracht.